Vraagbaak archief vraag 1 - 10

nr onderwerp antwoord
1 Brief met tentoonstellingszegel 1924, type Veth ja
2 Vliegende duif nee
3 Abonnements postwissel ja
4 Krantenbandjes met voorafstempeling ja
5 Briefkaart met Belgisch portzegel  ja
6 Herstel Rijn- en Binnenvloot ja
7 Postgeschiedenis Oosterbeek nee
8 Luchtposttarieven Amerika nee
9 Verhuizing, doorsturen van post nee
10 2e Generaale Commando ja

vraag 1
Een verzamelaar in Zweden is in het bezit van een enveloppe gefrankeerd met de 15 cent zwart nr 137 (Tentoonstellingszegel 1924, type Veth). De brief was verzonden door Mr. W.S Wolff de Beer aan Nils Strandell, een bekende Zweedse filatelist. Stempeldatum 16 november 1926. Aangezien deze enkelfrankering in Buitenkamp/Muller en de NVPH-catalogus geen prijsnotering kent, wil de verzamelaar graag een indicatie van de zeldzaamheid van dit stuk en eventueel een schatting van de handelswaarde. Reacties naar de webmaster.

Reactie: Als verzamelaar van brieven met zegels van Wilhelmina heeft genoemde brief uiteraard mijn interesse. Nu komt echter vanuit mijn optiek de ontnuchtering voor deze brief. De serie bestaat uit 3 zegels waarvan slecht 1 zegel (als enkel) en als frankeerwaarde mogelijk is, nl. de 10 cent. De overige twee waarden vormen altijd een overfrankering hetgeen als verzamelaar in de sector postgeschiedenis een 'doodzonde' is. Zelf heb ik ooit in het verleden de serie op brief (3 brieven) kunnen aankopen. Het ging mij uiteraard om de waarde 10 cent enkelfrankering. De oude eigenaar wilde uitsluitend alle drie verkopen gelijktijdig. Ik heb niet lang gewacht en direct toegehapt. Voor de onderhavige brief is tevens als bezwarend aan te merken, dat de afzender en geadresseerde zeer gerespecteerde filatelisten zijn en helaas in Nederland daardoor snel zal worden afgedaan als MAAKWERK. Indien de frankering aantoonbaar het juiste tarief heeft bezit deze man een uitermate zeldzaam stuk dat te lijden heeft onder de adressering. Indien het tarief niet klopt is de brief de zegelwaarde waard en zou hij bij wijze van spreke het zegel ook kunnen afweken. Hetgeen ik hem overigens ten zeerste zal ontraden. Het zegelbeeld is  niet 100% watervast! Prijsindicatie: Van mijn aankoop destijds (3 enkelfrankeringen) zijn dus twee waarden als enkelfrankering niet juist. Ik heb deze twee brieven al jaren te koop voor fl. 150,-- per stuk en ik heb ze (helaas) nog steeds. Siemon Tuin, Muntendam.

Nog een reactie: Helemaal geen maakwerk maar slim inspelen op de nieuwe tariefstelling door
Wolff de Beer! De stempeldatum is 16-11-1926 en miv 1.10.1925 was het tarief voor een
gewone brief gewichtsklasse 1 naar Zweden toen 15 cent.(Zelfs 35 was als enkelfrankering mogelijk voor een aangetekende brief Interlokaal gewichtsklasse 3). De waarde van de brief in goede staat kan tussen de F500 en F600 liggen. JPGvdM


vraag 2
I collect the 1924-1946 gull issue (Netherlands) definitives on cover. Although I have been able to obtain surface rate information for this period, I have been unable to get the airmail rates. For example, what was the rate to Paraguay in 1942? Can anyone suggest a source for this information. I am looking for various usages of the gull issue and particularly local mail. Are there any dealers who sell this type of material or collectors interested in trading? Does anyone else collect the postal history of this issue? Reacties naar de webmaster. Andrew Liptak


vraag 3

Wie weet wat een Abonnements Postwissel is? Reacties naar de webmaster

Uit :Handleiding voor postambtenaren , 6e druk , 1898,Hier kort samengevat de teksten van art. 349 t/m 358: De postwissels dienden voor vooruitbetaling van abonnementen op Nederlandsche en Buitenlandsche nieuwspapieren en tijdschriften Voor binnenland en Frankrijk ( altijd anders, is er ooit iets veranderd?????). Algemene bepalingen art. 351: 

De levering van nieuwspapieren en tijdschriften bij wijze van abonnement geschiedt slechts tegen vooruitbetaling van den abonnementsprijs en voor Rijksrekening.De brievengaarders mogen zich echter voor eigen rekening belasten met de levering van binnenlandsche bladen, de buitenlandsche bladen leveren zij alleen voor Rijksrekening. De levering van Duitsche, Oostenrijkse, Turksche,Zwitsersche, Italiaansche en Noorsche couranten en tijdschriften geschiedt door tussenkomst van het spoorwegpostkantoor No 1, die van de overige buitenlandsche ; met uitzondering van de Fransche; door tusschenkomst van het spoorwegpostkantoor No 2 ; die van de Fransche door bestelling regtstreeks bij de uitgevers.

Er waren dus postwisselformulieren voor binnenlandse en Franse abonnementen die bij alle postkantoren te gebruiken waren ( ik heb mijn hele verzameling van ca. 300 stuks postwisselformulieren verkocht aan een meneer in Haren ( Gr.) dus ik kan geen scans meer mee sturen.En voor de hierboven genoemde ,,buitenlandsche bladen,, speciale formulieren gericht aan spoorwegpostkantoor No1 = Amsterdam , spoorwegpostkantoor No 2 = Rotterdam, en een derde gericht aan den Heer Directeur van het Spoorwegpostkantoor No..... , Plaats van bestemming.......Die dus door de verzender zelf ingevuld moest worden.De rest van de Art. beschrijven de tarieven, procedures etc etc. Lex Geijs.

De meneer uit Haren is ondergetekende. Aangezien er al een afbeelding is zal een andere scan de prima uitleg van Lex Geys niet verder verduidelijken. Echter het PTT Museum heeft sinds kort een nog grotere verzameling van alle postwissels, inclusief de abonnementspostwissels. Deze collectie, afkomstig van de Controle in Haarlem is op aanvraag in te zien. Overigens hebben deze
postwissels, waarop nogal eens grotere bedragen door middel van frankeerzegels werden verantwoord, een grote rol gespeeld bij de invoering van de f10,- bontkraagzegel, overigens een "Pullarium" (voor de ingewijden), Zie ook NMPh 1978 maartnummer.
Gert Holstege


vraag 4

Naar aanleiding van de vraag over het krantenbandje het volgende. Over het hoe en waarom is een lang verhaal te schrijven, ik beperk mij dan ook tot alleen dit bandje.We hebben hier te maken met een z.g.n. voorafstempeling. Iemand van de Arnhemse courant ging met vellen voorgedrukt met adressen en voorzien van postzegels naar het postkantoor. Daar werden deze vellen met adresbandjes afgestempeld. Voor 1912 gebeurde dit met de hand hetgeen nogal omslachtig was en bovendien veel lawaai maakte. Vanaf 1912 is het drukwerkrolstempel in een plaats of 90 gebruikt. Men kon in één haal het gehele vel met meestal 10 bandjes  afstempelen. Daarna ging men weer terug naar de krant en werden de bandjes afgesneden en om de krant gedaan. Het stempel bestond uit een handvat met aan het einde een rol met 5x hetzelfde stempeltje. Op de getoonde afbeelding zijn alle 5 afdrukken te zien.
Vermoedelijk is het een zaterdagcourant geweest, gezien het tarief van 1 cent. Op de meeste bandjes door kranten gebruikt zit een zegel van een halve cent. Het toeval wil dat ik de familie van de geadresseerde kende, deze woonde een paar honderd meter van mijn ouderlijk huis.Wil de vragensteller uitgebreidere informatie dan kan hij van mij wel een kopie krijgen van de indertijd door mij uitgegeven catalogus. Een nieuwe zal waarschijnlijk volgend jaar verschijnen. Hans Bonefaas


vraag 5

In Nederland is (was) het niet gebruikelijk om ontbrekend port van briefkaarten te innen middels portzegels. Bij onze zuiderburen golden blijkbaar andere regels, of is deze kaart een uitzondering? Reacties naar de webmaster

In België is het gebruik van takszegels (portzegels) op poststukken reeds in voege sinds 01-08-1870. Deze werden eerst uitsluitend binnen het postkanton gebruikt tot 1895. Vanaf 01-11-1895 werden de takszegels gebruikt op alle getaxeerde brieven en poststukken, behalve op express-zendingen.Derhalve is het afgebeeld poststuk met 10ct taks niets uitzonderlijks maar toch evengoed een mooi stuk om te hebben. Ludo.Thomassetti@skynet.be


vraag 6

Wie kan informatie verschaffen over "Herstel Rijn- en Binnenvloot". Reacties naar de webmaster

Rhine  Navigation  Stamps  (from the American Revenuer,  October 1985)
The article "Rhine Fleet Revenues" which appeared in the February, 1981, issue of The American Revenuer (1981; 35:44) presented some serious misinformation  about these stamps. Former ARA member E. J. Enschede of Utrecht, Netherlands sent some information to set the facts right.  First it must be noted that Mr. Enschede has no connection with the printing firm of Joh. Enschede & Zonen in Haarlem as indicated in the original article. He was, however, the author of a 1952 listing  of Dutch fiscal stamps based on his collection. 

In 1941 the German occupation government in the Netherlands confiscated many of the small ships that navigated the Rhine River and various inland waterways. The plan was to repair and outfit them to make them seaworthy for an invasion of Great Britain. The plan was doomed from the outset as the ships were  absolutely unseaworthy.     

A decree for the restoration of Rhine and inland navigation fleet ships of March 6, 1941, (regulation sheet 60/1941) stated that the German government would pay the Dutch government for the purchase of the confiscated ships. The Dutch in turn were to use the money to repair the ships for the invasion. This made the Dutch government responsible for payment to the owners. The decree provided that arrangements for payment would be made at a later date, with interest.  In most cases it was expected that the owners would not receive their own craft back after repairs but would get another which they would then own. The decree established a committee to repair the fleet. (This decree was temporarily postponed after liberation according to regulations of September 17, 1944, and finally were withdrawn by decree of June 27, 1947.)    

A later decree of August 13, 1941, (regulation sheet 178/1941) referred to the provisions for payments that were to be arranged for at a later date by the regulations of March 6. According to an ordinance of the Secretary General of the Department of Waterways payments for ships were to be entered in a ledger at the Department of Finance (later called ledger R.B.). The entered sums were to receive interest at 4% annually. The Department of Waterways was to give financial assistance to the ship owners which was paid by the Dutch government. Other expenses were to be born by the owners of the ships which were to take on loads within the borders of the Netherlands.


In regulations from the Department of Waterways dated December 3,1 1941, (but apparently these regulations had gone into effect earlier) ship owners were to be compensated for the loss of their ships, by the government of the Netherlands at 10 cents per ton, per week, for the first  300 tons and at 4 cents per ton, per week, above 300 tons. This was to be paid every  4 weeks through the Netherlands Private Rhine Navigation Central for private owners and for larger companies through the Central Bureau for the Rhine and Inland Navigation. In order to offset the expenses of the financial  assistance, the owners of ships with a loading capacity of more than 100 tons (no matter to which country the ship belonged) had to buy a Rykszegel or government stamp of 20 cents per ton   loading capacity per year, to be paid in advance in quarterly terms starting on October 1, 1941. Loading capacity was defined as meaning the maximum  loading capacity or, if not available,  by estimate of the authorities.

The regulations went on to specify that all ships had to have at all times a form with date canceled Rykszegels to prove the payments had been made. Ships having loads from the Netherlands to a foreign country could not be allowed to pass the border without these forms. For Dutch registered ships this form was a  numbered declaration by the CBRB or NPRC (Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart  and the Nederlandsche Particuliere Rijnvaart-Centrale). For foreign ships this was  a form from the NPRC with a notation of the foreign freight. Other ships were required to stamp the documents issued for navigation inside the borders of the Netherlands. The Rijkszegels were available at all freight bureaus, most offices of the NPRC and offices of the Central Bureau for Rhine and Inland Navigation.

 As Mr. Enschede stated: "I hope that the case is now clear".

P.S.
Ik heb even navraag gedaan wat betreft de verschillende waarden van deze zegels en HansPaul Hager citeerde de volgende waarden uit de Enschede lijst (Er is  ook een Bervoets catalogus  van Benelux Revenues. HansPaul denkt dat die dezefde waarden aangeven.)
De waarden  zijn respectievelijk: 5, 10, 20, 30,  40, 50 cent, en dan 1, 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 50, en 100 Gulden. Zestien waarden totaal dus.

De illustratie (zie boven) geeft inderdaad een kwartaal bedrag van 5 cent per ton weer (het jaar bedrag was 20 cent). Het formulier heeft zegels voor het 1e en 2e kwartaal van 1942. Mooi kleine balk stempel: "Bevrachtingscomm. Born"
Met dank aan Hans Kremer.


vraag 7
Wie kan mij informatie verstrekken over de postgeschiedenis van Oosterbeek, in het bijzonder met betrekking tot de naam Ohlen?. Iemand van deze familie was de eerste geüniformeerde postbode in Oosterbeek. Willy Ahlers. Reacties naar de webmaster


vraag 8
Wie kan mij helpen aan de luchtposttarieven (voor 'gewone brieven') van Nederland naar de V.S. gedurende de periode 1950-1980?, Hans Kremer  Reacties aan de webmaster

vraag 9
Bij verhuizing van een geadresseerde is de PTT verplicht post kosteloos door te sturen naar het nieuwe adres ( voor zover de frankering toereikend is). Het vele extra werk dat door- en nasturen met zich meebrengt, is voor de PTT een van de redenen om klanten te stimuleren hun adreswijzigingen bijtijds door te geven aan hun relaties. Kan iemand mij vertellen op welke  (UPU?) verordening die doorstuurplicht van de PTT gebaseerd is? Jac Spijkerman
Reacties naar de webmaster 
In de Convention van de UPU staat onder Article RE2701 de conditions for
redirecting letter-post items:
1.1. Items addressed to addressees who have changed their address shall be considered as addressed direct from the place of origin to the place of new destination. Er staan nog meer bepalingen in dit artikel die slaan op het al dan niet doorzenden, zoals het samenvoegen van zendingen bestemd voor eengeadresseerde die naar het buitenland is vertrokken in een verzamelenvelop CN 14 Collective Envelope Redirection of letter-post items.
Cees Janssen

vraag 10

2e GK 1820_12_16a.jpg (20121 bytes)

Wie weet er iets te vertellen over het " 2e Generaale Kommando " in Zutphen?. Omstreeks 1820. Dit stempel staat niet in Korteweg. Reacties naar de webmaster

Betr. vraag over brief van het ,, 2e Generaale Kommandoo,, Ik heb een zelfde soort brief uit 1816 zie hierbij. Uit "vriendenkring" heb ik vernomen dat deze "Generaale Kommandoo's" zijn opgericht na het herkrijgen van de onafhankelijkheid van het franse keizerrijk na 1814.Het 1e Kommandoo was de top die op regerings nivo beslissingen nam, het 2e het uitvoerend orgaan die dus de werkelijk dagelijkse top uitmaakte.Aangezien ik niet echt geinteresseerd ben/was in deze materie heb ik het bij deze info gelaten. De juiste, meer gedetailleerde info is 100% zeker te halen bij het Militair Museum te Delft.Zoals met alle naslagwerken als Vellinga , Korteweg,Overvoorde etc. doet zich het probleem voor dat de info van TOEN was en er steeds meer materiaal uit de kast komt. Ik zelf heb zeker nog 10 stukken met stempels die in deze boeken niet vermeld worden en ben er zeker van dat er vele verzamelaars dergelijke stukken hebben. Kijk met plezier naar de "Vraagbaak" en ben blij met de info die er uit komt!!! Met vriendelijke groet, Lex Geijs.

2eG comm-1.JPG (22806 bytes)

Nederland was vanaf1 april 1815 na de samenvoeging met Belig in 6 Grote of Generale Kommando`s verdeeld (de naam werd wisselend met C of K geschreven). Het "1e of Westelijk Generaal Commando" omvatte de provincies Holland en Utrecht, het 2e Gelderland, Overijssel, Friesland, Groningen en Drenthe; het 3e Zeeland en Oost en West-Vlaanderen; het 4e Noord-Brabant, Antwerpen en Zuid-Brabant (Belgisch); het 5e Luik en Limburg en het 6e de provincie Luxemburg, Henegouwen en Namen. De hoofdkwartieren waren gevestigd in respectievelijk Amsterdam, Deventer, Gent, Antwerpen, Maastricht (dat bleef Nederland trouw bij de opstand in 1830!) en Namen. De brief is van het 2e Generaale Commando te Deventer maar het stempel Zutphen doet vermoeden dat de brief aldaar is verzonden naar Twello.
De adjudant die de brief verzond aan de burgemeeter van Twello had om redenen van efficiencie waarschijnlijk een afzenderstempel en briefpapier bij zich zodat hij portvrij berichten kon verzenden naar aanleiding van hetgeen hij op zijn dienstreizen ontdekte of meende te moeten regelen (inkwartieringen, troepenverplatsingen enz).
De tekst van de brief kan hier uitkomst brengen. Zie ook Korteweg nr 100 blz 194.
J.P.G. van der Meer